Wegwaaien

Hij strijkt met zijn hand over de ruwe, houten bar. Hij kwam hier vaak in zijn studententijd. Nachten lang probeerde hij hier indruk te maken op de meisjes van de studie, waarna hij vaak alsnog met zijn vrienden naar huis ging. Hij kijkt om zich heen. Op twee oude mannen in de hoek zijn ze de enige in de bar. Het is doodstil in de kroeg, niemand praat en er speelt geen muziek. Voorzichtig kijkt hij naar zijn dochter die naast hem zit. Ze nipt voorzichtig van haar cappuccino waarbij er een randje schuim op haar bovenlip blijft plakken. Snel veegt ze het weg, zoals hij dat vroeger bij haar deed. Het randje op haar bovenlip dat eerst nog van chocolademelk kwam, heeft plaats gemaakt voor koffie.

Hij wil er iets over zeggen, over dat ze zo groot is geworden. En mooi, ze is ook mooi. Soms vraagt hij zich af hoe hij zoiets moois heeft kunnen maken en bedenkt zich dan dat dat waarschijnlijk door zijn vrouw komt. Hij wil zeggen dat hij ondanks alles toch trots is dat ze zo mooi groot is geworden, maar durft niet. Haar aanwezigheid heeft iets intimiderends. Met zijn kin in zijn handen leunt hij op de bar. Zijn stoppels prikken in zijn handen. Hij kijkt vooruit, recht in de spiegel die achter de bar hangt. Hij kijkt van zichzelf naar zijn dochter. Ze hebben dezelfde neus, merkt hij voor de honderdste, misschien wel duizendste keer op.

“Is je koffie lekker?”, vraagt hij. De twee oude mannen in de hoek kijken op van dit plotselinge geluid. Ze knikt, “best”. Haar haren dansen mee. Het is weer even stil. “Is jouw bier ook lekker?”, vraagt ze dan. “Ja hoor! Heb ik je wel eens verteld dat ik hier vroeger altijd met mijn maten van de studie kwam. Nachtenlang dronken we hier en…” – “Ja pap, dat heb je me al eens verteld”, onderbreekt ze hem. Hij zwijgt, zij zucht. “Oh”, zegt hij nog. Hij kijkt weer in de spiegel. Zelfs verveeld is ze prachtig.

Ze konden vroeger altijd leuk kletsen. Over hockey en tekenen. Soms zelfs over boeken en een enkele keer had ze hem om raad gevraagd. Hij had zich geweldig gevoeld toen hij haar vertelde hoe hij het zou aanpakken. Met grote ogen had ze naar hem geluisterd en geknuffeld na afloop. Verder was ze voor raad altijd naar haar moeder gegaan. “Hoe is het met Robin?”, vraagt hij. “Robbie, pap. Hij heet Robbie, dat heb ik al vaak gezegd. En het is goed met Robbie, heel goed zelfs. We gaan samen op vakantie.” Zijn mond vertrekt, ze ziet het. “Niet goed?”, vraagt ze terwijl ze op een vreemde manier glimlacht. Het maakt hem zenuwachtig. “Nee nee prima. Waar gaan jullie heen?” “Weten we nog niet, we gaan liften.” Hij voelt een steek ergens in zijn zij. “Oke”, mompelt hij. Wat had hij nu graag gewild dat zijn vrouw erbij was geweest. Zij had vast gezorgd dat er gekletst werd. Ze kan goed kletsen, zijn vrouw, beter dan hij. Hij ziet dat haar koffie op is. “Wil je nog wat drinken?”, vraagt hij terwijl hij zijn hand voorzichtig op haar arm legt. “Nee pap, ik wil niks drinken”, antwoordt ze zonder hem aan te kijken. Ze springt op van haar barkruk, waarbij zijn hand van haar arm glijdt alsof ze niet eens doorhad dat hij er lag.

Het is lief dat haar vader haar graag mee uit wilde nemen. Ze weet dat hij haar mist, maar weet niet goed wat ze ermee moet. Vroeger konden ze nog wel leuk kletsen, over hockey ofzo. Maar hockey interesseert haar al lang niet meer. De dingen die haar nu bezig houden, zijn dingen waar haar vader liever niet over praat. Ze zou hem willen uitnodigen voor de eindtentoonstelling van school. Weken lang schilderde ze doeken vol. Ze is trots op het eindresultaat en hoopt ergens dat hij ook trots zal zijn. Ze mogen dan niet goed meer kunnen kletsen, maar hij blijft de papa waar ze vroeger uren lang mee door de de dierentuin wandelde. Hele middagen hadden ze samen voor het hok met de stokstaartjes gestaan. Hand in hand alsof ze bang waren dat een van hen zou wegwaaien.

Hij kijkt hoe ze een muntje in de jukebox gooit en met bedenkelijke blik een liedje uitkiest. Dan buldert opeens ‘Je n’regrette de rien’ van Edith Piaf door de kroeg. De oude mannen in de hoek schrikken ervan. Een brok schiet in zijn keel. Zijn lievelingsnummer.

Een beetje verlegen gaat ze weer naast hem zitten. Glimlachend luisteren ze samen naar de muziek. Ni le bien qu’on m’a fait. Als hij opkijkt om stiekem naar haar te gluren via de spiegel ziet hij dat zij hetzelfde deed. Hij lacht en zij lacht mee. Even is alle spanning weg. De oude mannen kijken hun verwonderd aan. Dan bedaart het gelach weer. Snel drinkt hij zijn glas bier leeg en wenkt de barvrouw. “Zou ik er nog een mogen?” vraagt hij. “Jij ook nog wat, meis?” Meis. Ze schrikken er allebei van. Zo heeft hij haar al jaren niet genoemd. Het heeft iets liefs, op een manier die bijna pijn doet. Ze knikt snel en vraagt om nog een cappuccino.

Hun drankjes worden voor hen neergezet. Hij kijkt ernaar en besluit dat het genoeg is geweest. Hij wil weer vader zijn, vader zoals hij was. Vader zoals in de dierentuin. Hand in hand alsof ze bang waren dat de ander wegwaaide. Hij wil het zeggen, precies dat. Haar laten weten dat hij nog dezelfde is of in ieder geval wil zijn. Hij draait zich naar haar toe en opent zijn mond om haar te vertellen hoe veel hij van haar houdt en hoe mooi ze is. “Hee schat!”, onderbreekt een jongensstem hem. Hij kijkt op. Robbie. Of Robin. Ze springt op en vliegt in zijn armen. De armen vol verfvlekken. Armen die haar ’s nachts vasthouden als ze slaapt. Armen die haar knuffelen en troosten als ze dat nodigt heeft. Armen die de zijne zouden moeten zijn.

 

Advertenties

Loempia met saus

Wil je ook saus?” Hij vroeg het wat angstig, alsof het antwoord heel belangrijk was. Toch klonk het ook lief en zorgzaam. Hij zou wel even voor de saus op de loempia van zijn vrouw zorgen zoals het een echte man betaamt. Een normale vraag, maar hij stelde hem zo speciaal dat het klonk alsof hij vroeg: “Hou je van me?”.

“Nee”, antwoordde ze nors. Hij keek verschrikt, alsof dat antwoord pijn deed. Geërgerd pakte ze de loempia van hem aan terwijl hij wel saus nam. Hij koos voor de zoete saus. In de buggy naast haar zat een verveelde kleuter met een dikke snottebel.

Naast het Vietnamese kraampje aten ze hun loempia. Haar haren waaiden alle kanten op en hij keek ernaar. “Harde wind he?”, vroeg hij. De vrouw keek hem vernietigend aan, alsof hij haar zojuist beledigd had. Alsof het zijn schuld was dat haar haar nu verschrikkelijk zat. Ondertussen begon de verveelde kleuter in de buggy te veranderen in een dreinende kleuter. De man keek ietwat hulpeloos naar de grijze lucht boven hem. Hopend op een zonnestraaltje, misschien wel hopend op God met wijze raad. Maar het enige wat uit de hemel verscheen, was regen.

Het zal vast ooit wel een leuk stel geweest zijn. Het zal jaren geleden zijn, ver voor de verveelde kleuter in beeld kwam. Hand in hand struinden ze door de stad en ’s avonds dronken ze samen een wijntje op de bank. Zo’n stel dat weinig nodig heeft om het leuk te hebben. Ze zal zwanger geworden zijn en hun leven leek niet mooier te kunnen. Ze zullen gelachen hebben. Misschien om zijn bril of haar piekerige haar. Maar ondanks de grapjes zullen ze elkaar de mooiste van de wereld hebben gevonden. En de liefste. Nu vindt alleen hij haar nog de mooiste en de liefste, lijkt het.

Haar loempia was op en ook hij nam de laatste hap. Even keken ze elkaar aan. Ze leek iets te willen zeggen, maar deed het niet. Hij wel. “Ik vind het heel leuk zo samen in de stad, lieverd.” Ze glimlachte verrast. Even was er weer dat vonkje. Een vonkje in de regen. Toen begon de dreinende kleuter te huilen en liepen ze snel de HEMA in. Zij voorop en de man er in een drafje achteraan.

Liefde kan zijn als de saus op een loempia. Zoet, zuur of helemaal niet.

Verkeerde afslag

Het kwaad heeft toegeslagen. Onheil heeft zich als een donkere wolk boven mijn hoofd samengepakt. Ik heb het een tijdje weten uit te stellen, maar ik heb, tot groot plezier van mijn vriend, gefaald. Ik zie geen uitweg meer en voel me genoodzaakt tot drastische maatregelen.

Ik ben jullie wat uitleg verschuldigd. Het zit namelijk zo: ik ben a-sportief en dat bevalt me prima. Ik beweeg bij voorkeur niet en als ik beweeg is dat het liefst van bank naar bed of andersom. Zoiets is natuurlijk niet aantrekkelijk en al helemaal niet als je vriend wel sportief is. Het smerige toeval wil zelfs dat hij zo’n zware, verschrikkelijke, spierexploderende work-out doet. Op zich hoeft dat natuurlijk geen probleem te zijn voor mij. Zolang hij mij niet lastig valt met exploderende spieren is alles oké. En dat was het ook voor een tijdje, zes maanden lang zelfs. Hij deed af en toe die work-out en zag er strak uit en ik deed niks en zag er minder strak uit. Helemaal goed, niks aan de hand. Maar toen gebeurde het…

Oud en Nieuw kwam in beeld. We hadden het over goede voornemens en hoe stom die wel niet zijn. Klinkt als een fijn gesprek, maar ergens heb ik een verkeerde afslag genomen. Opeens had ik namelijk beloofd in het nieuwe jaar mee te doen met de vernietigende work-out. Huh? Wat? Ik hoorde het mezelf zeggen en terwijl ik het deed, dacht mijn hoofd: “Ho, wacht. Wat doe je nou? Nee! NIET DOEN! STOMME TRUT!” Hij reageerde verrast, blij ook wel. Want ja, zijn luie meisje zou opeens een sportief meisje worden. Dat is natuurlijk leuk nieuws. En nu kan ik dus niet meer terug. Hoeveel ik ook van hem houd en hoe blij hij nu ook is: ik ga niet sporten. Je hebt lichamen waar je dat gewoon niet mee moet doen en mijn lichaam is er zo een.

Daarom moet ik ingrijpen. Ik verdwijn voor eventjes van deze wereld. Ik verstop me ergens en hoop dat hij me dan heel erg gaat missen zodat hij vergeet dat we zouden sporten. Dus zie je een jongen met goede baard in de buurt van Hilversum rondrennen en mijn naam roepen: niks doen. Ik ben er niet. En mochten jullie niks meer van me horen, dan heeft hij me gevonden en heb ik de work-out niet overleefd. Gelukkig nieuwjaar. Over.

Smerige Takkie

Een groot, oranje blad viel naast haar voeten. Een kastanjeblad, gekleurd door de herfst. Ze keek niet op, maar sloeg in plaats daarvan de bladzijde van haar boek om. Ze had een aparte manier van lezen, die mevrouw op het bankje in het park. Ze las met het boek recht voor haar gezicht en het puntje van haar tong uit haar mond. Ze was niet bijzonder mooi, maar haar grote bos rode krullen was niet te missen op deze eerste echte herfstdag.

Het was hem ook opgevallen. Terwijl zijn oude teckel in de bosjes de nodige behoeftes deed, gluurde hij naar haar. Niet perse uit interesse maar meer omdat de manier van lezen hem zo verbaasde. En het tongetje dat net over haar lippen stak, irriteerde hem. Maar het haar van de vrouw vond hij wel mooi, het had de kleur van de bladeren aan de bomen. ‘Kom op, Takkie. Takkie? He gatverdamme, stop daarmee. Vies beest.’ Hij trok aan de riem en liep met de oude Takkie verder.

Zij had hem ook gezien, zo vanachter haar boek. Of eigenlijk zag ze eerst het hondje dat de uitwerpselen van een ander hondje aan het opeten was. Ze vond het een vies gezicht en ook best wel een lelijke teckel. De man kwam in zijn lange jas haar kant opgelopen. Hij liep raar, vond ze. Een beetje snel maar hij bewoog langzaam. Hij was nog maar een paar stappen van haar verwijderd en daarom deed ze alsof ze weer druk aan het lezen was. Ondertussen luisterde ze naar zijn gemopper over de teckel.

‘Smerig Takkie, dat is smerig! Getverdemme, dan ga je weer stinken straks. Dat is toch vies? Je eet dat toch niet? Ik voer je altijd lekkere brokjes en jij gaat in het park dan vieze dingen lopen vreten. Bah, Takkie, bah’, mopperde de man tegen het hondje dat vrolijk door liep. Ze volgde hem nog een paar meter en richtte haar ogen toen weer op de bladzijde van haar boek. Hij draaide zich nog even om voor hij de hoek om ging. Nam haar mooie, rode krullen en irritante tong nog even in zich op en liep toen met stinkende Takkie naar huis.

De jaren verstreken en hij dacht nog wel eens aan haar. Zij ook aan hem, of eigenlijk meer aan die vieze Takkie. Hij keek ook nog wel eens rond in het park of hij haar zag. Niet uit interesse maar omdat hij benieuwd was of ze haar tong nog zo uitstak tijdens het lezen. Het had een prachtig liefdesverhaal kunnen worden. Zo eentje met ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Maar dat is het niet en dat is misschien maar goed ook. Het zou een ongelukkig huwelijk vol irritaties en een stinkend hondje zijn geworden. Zo gaan die dingen.

Met Joling voor het altaar

‘Hoi?’
‘Reageer eens.’
‘Is je mobiel leeg?’
‘Leef je nog?’
‘Je bent toch niet geschept door een vliegtuig he?’
‘NEE TOCH?!’
‘REAGEER NOU IK MAAK ME ZORGEN!’
‘Hallo?’

Vriendin A. reageert niet op whatsapp en ik maak me zorgen. Niet dat ik haar nodig heb; de vraag die ik stelde was verre van belangrijk. Maar als ik iemand whatsapp verwacht ik binnen vijf minuten een reactie. Gebeurt dit niet dan slaat mijn fantasie op hol en zie ik je al langs de weg in de goot liggen. Of opgevreten worden door een zeearend. Of gevangen zitten in een kelder met cliniclowns. Of stikkend in de oorbel van je moeder. Of voor het altaar met Gerard Joling. Ik bedoel maar, vreselijk.

Ondertussen zit vriendin A. natuurlijk rustig alle seizoenen van Greys Anatomy te bekijken zonder ook maar een blik op haar mobiel te werpen. Of is ze voor de honderdste keer haar teennagels in een kek kleurtje aan het lakken. Misschien moet ik een contract opstellen die nieuwe vrienden moeten ondertekenen. Zo blijft er een hoop stress bespaart. ‘Ik zal altijd binnen tien minuten reageren op een whatsappbericht van Nina Juffermans.’ Handtekening eronder en je bent erbij. Want het maakt me niet uit of ik een vraag stel over skippyballen of over de politieke situatie in Hongarije. Al whatsapp ik dat ik net een banaan heb gegeten en of jij ook van bananen houdt; reageer in godsnaam.

En ik doe dit voor jullie he, vergeet dat niet. Ik geef om jullie en heb jullie liever niet in een kelder met cliniclowns. Onthoud dat. Want stel je staat door een raar incident voor het altaar met Geer, misschien kan je me dan nog net even laten weten dat ik moet komen ingrijpen. Maar Nina, reageer jij wel altijd binnen 5 minuten? Ja, absoluut. Mijn mobiel is vergroeid met mijn hand. Als ik niet reageer dan ben ik aan het slapen, eten, feesten, les volgen, ijsjes eten of zit ik in een kelder met cliniclowns. Maar verder reageer ik altijd binnen vijf minuten. Want weet je wat het is…

*Bliep*

Whatsappbericht van vriendin A.

‘Yo, doe eens rustig men. Was even Greys Anatomy kijken. Nee, ik houd niet van bananen.’

Verschrikkelijk verliefd

Er is iets verschrikkelijks gebeurd: ik ben verliefd. Jarenlang ging het goed; nooit was ik echt onder de indruk van een jongen. Er was altijd wel een reden om de beste knul af te schrijven. Hij was niet mooi, grappig of intelligent genoeg en als hij dat allemaal wel was, had hij een lelijke neus. Nooit had ik vlinders in mijn buik, niet eens eentje met een kapot vleugeltje. Maar het is een plaag, de kolonie vlinders die zich nu in mijn buik heeft geïnstalleerd. En het ergste van alles is dat het nog wederzijds is ook.

‘Verliefd zijn is het mooiste wat er is’ hoor je wel eens. Ik weet niet welke idioot dat bedacht heeft, maar ik word er echt geen leuk mens van. En zie dat maar eens te verbergen voor je nieuwe geliefde. Ik doe alsof ik totaal geen jaloerse heks ben en maak de ene leuke grap na de andere. Doodvermoeiend is het. Terwijl hij nietsvermoedend met zijn hoofd in mijn schoot ligt en ik zijn wangen streel, schiet opeens de uitspraak ‘liefde maakt blind’ door mijn hoofd. Dan schrik ik, ben ik het al? Misschien zit ik hier wel het hoofd te aaien van een onwijze klootzak. Is het er zo eentje die zijn handen nooit wast voor het eten. Zo eentje die altijd twee verschillende sokken draagt. Of die vrouwen soms wel eens ‘wijven’ noemt. Misschien zat hij met die zachte handen van hem wel aan een ander meisje vannacht. Misschien berooft ‘ie wel bejaarden en slaat hij kinderen. Of nog erger: is zuurkool zijn lievelingseten. Mijn adem stokt… hij zal toch geen dingen zeggen als ‘helaas pindakaas’?!

Ben ik zo’n onnozel kind geworden dat niet ziet dat haar vriend een fervent vreemdganger of seriemoordenaar is? Ik ben in de war. Weet niet wat te doen met mijn angsten. Ik graaf in mijn geheugen, maar kan me niet herinneren dat Julia hier ook last van had bij Romeo. Nee, die twee hadden nergens last van. Één groot feest was het daar in Verona. De familie werkte dan niet helemaal mee, maar dat lijkt me vergeleken met mijn problemen een detail.
Hij zucht opeens diep en onderbreekt zo mijn gedachten. “Weet je wat ik zo leuk aan jou vind?”, lacht hij, “dat je altijd zo relaxed bent!” Ik lach en kus hem. Hij moest eens weten.

Deze blog verscheen eerder op Studenten.net

Goddank niet echt

“Nu ben ik de ridder. Wacht, even mijn helm en mijn lans pakken.” Er wordt een denkbeeldige helm op het krullerige haar van de jongen geplaatst en een lans wordt uit de bank geplukt. Hij en zijn vriendinnetje rennen heen en weer, dansen om elkaar heen. Ze bootsen het geluid na van staal dat elkaar raakt, tot het spel wordt gestaakt om te overleggen wie er eerst moet doodgaan. Ze besluiten na wat gekibbel dat dit tegelijk zal gebeuren en na precies tien seconden steken ze elkaar dood. En zo kwamen de levens van twee jonge kinderen tragisch ten einde in de woonkamer van mijn beste vriendin. Denkbeeldig dan hè, goddank niet echt.

Vol plezier heb ik naar de spelende kinderen gekeken. Ik staar weer voor me uit, mijn laptop staart dringend terug. Ik heb drie deadlines. Ik mis het eigenlijk wel, dat ongedwongen spelen. Behalve of je wel de goede geluiden maakt bij het zwaardspelletje, hoef je nergens aan te denken. Studie, geld, liefde: het speelt allemaal geen rol. Wat moet het heerlijk zijn om weer een dagje vijf te zijn. Laptop weg, zwaard erbij. Even geen stress meer aan mijn kop, lekker rondrennen. Ik kan me niet eens meer herinneren wanneer ik voor het laatst helemaal stressvrij was. Altijd voel ik de hijgende adem van een deadline in mijn nek. En vrolijk rondrennen is er ook niet meer bij. Na drie meter ben ik buiten adem.

Ik moet aan een foto van vroeger denken. Je ziet mij, in een blauw tuinbroekje, in het midden van de zandbak zitten. Om me heen zitten een stuk of acht kinderen. Opvallend is dat ze of huilen of kokhalzen. Het enige kind dat straalt van geluk, ben ik. Je ziet mijn arm een zwaaibeweging maken die een gordijn van zand achterlaat in de gezichten van mijn peutergenootjes. Wat kon ik een lol maken met mijn vriendjes zeg. Of die keer dat het me een leuk idee leek om mijn broertje van twee mee in een boom te nemen. Met hem onder mijn arm klom ik steeds hoger. Zaten we daar vrolijk aapje te spelen. Of nou ja, vrolijk… Ik was erg vrolijk, mijn broertje huilde zo hard dat mijn vader binnen tien seconden in de boom zat om ons eruit te halen. Er zijn tientallen foto’s van de reddingsactie. Op allemaal sta ik met een duimpje omhoog en de beroemde Juffermans-grijns. Leuke tijden, mooie herinneringen.

Ik kijk uit het raam naar de spelende kinderen die inmiddels aan het bungeejumpen zijn uit een boom. Ik herken mezelf in het meisje. Niks geen barbies, poppen of moedertje spelen. Lekker vies worden en dingen kapot maken, veel leuker. De keren dat ik in mooie nieuwe kleren naar school ging en in bemodderde vodjes terug kwam zijn ontelbaar. Ik kijk weer voor me, mijn laptop staart dringend terug. Ik heb nog steeds drie deadlines. Het is klaar, ik wil weer even kind zijn. Denkbeeldige helm op, lans onder de arm. Duimpjes en Juffermans-grijns in de aanslag. De vijfjarige ik is weer wakker. Vijf minuten later bungeejump ik onder luid applaus uit een boom. Denkbeeldig dan hè, goddank niet echt.

Verstand van konten

‘Deze dan?’

‘Prachtig.’

‘Dat zei je bij de vorige ook.’

‘Die vond ik ook prachtig.’

‘Ja maar jij vindt mij gewoon prachtig, maar dat betekent niet dat deze broek me ook prachtig staat.’

‘Ik vind dat ie prachtig staat.’

‘Nou, ik niet. Ik ga die andere passen.’

‘En? Wat vind je?’

‘Is dit niet dezelfde als de eerste? Die waarvan je vond dat je er een dikke kont in had?’

‘Nee! Deze heeft hele andere zakken, man!’

‘Oh oke. Oja, nou zie ik het! Hele andere zakken.’

‘En wat wil je daar trouwens mee zeggen? Heb ik in deze ook een dikke kont?’

‘Je hebt helemaal geen dikke kont, schat.’

‘Wat weet jij daar nou van? Jij weet helemaal niks van dikke konten!’

‘Ik weet dat jij er geen hebt. Jij hebt een heel mooi, bescheiden kontje.’

‘Dus ik heb geen kont? Bedoel je dat te zeggen, dat ik geen kont heb? Ik heb anders een hele mooie kont! Zie je wel, jij weet niks van konten.’

‘Maar ik zei net dat je een hele mooie…’

‘Ik ga de eerste nog een keer passen.’

‘Is goed lieverd.’

‘Lieverd?’

‘Wat?! Ik hoor je niet vanuit deze kleedkamer. Vreselijk licht trouwens.’

‘Ik vind het heel gezellig, samen shoppen.’

‘Wat?! Wacht, ik kom even naar je toe. Auw, fuck…’

‘Alles goed, lieverd?’

‘Ik zit vast in die eerste broek.’

Lavendel

Ik schop mijn schoenen uit en nestel me in de grote stoel die vroeger opa’s stoel was. Nu is het alleen nog oma’s stoel, maar ze zit er nooit in. Het blijft opa’s stoel, zegt ze dan. Oma zit naast me in haar eigen oma-stoel te lezen. Haar leesbril op het puntje van haar neus. Ik sta op om naar het toilet te gaan. De zachte vloerbedekking met hier en daar een vlek roept herinneringen op. Hoe ik daar 15 jaar geleden met mijn broertje limonade morste en oma niet eens boos werd. Op het toilet hangt een kalender van drie jaar geleden, alleen de verjaardagen van haar familie staan erin.

Eenmaal weer in de woonkamer zit oma niet meer in haar stoel. Aan het gerommel in de keuken te horen is ze daar. ‘Jij wilt wel koffie he?’, klinkt haar zangerige stem. Ik hoef niet te antwoorden want ze komt alweer door het sliertjesgordijn met een dienblaadje. Ik zie ook een bordje met een snee witbrood met bruine suiker liggen. Ik at dat altijd toen ik acht was. Ik vind het allang niet meer lekker, maar dat geeft niet. Ze loopt langs de opvallend grote televisie. Oma houdt van huizenprogramma’s. Dingen als TVMakelaar, ook al weten wij allebei dat oma nooit meer zal verhuizen.

Terwijl ik op mijn broodje kauw, dat zo zoet is dat ik bang ben voor de reactie van mijn tandarts, kijk ik naar het potje Scrabble dat voor ons op de bijzettafel ligt. Oma houdt van mooie woorden. Daarom verliest oma ook altijd bij Scrabble. Maar dat deert haar niet; mooie woorden zijn belangrijker dan veel punten. ‘Lavendel’, zie ik liggen. Nog geen 15 punten waard, maar oma vond het prachtig. Ik won met meer dan honderd punten verschil, wat oma altijd leuk vindt. ‘Nou nou, weer verloren!’, zegt ze dan altijd, alsof het haar verbaast. Maar al sinds ik kan spellen, verliest oma. Ze doet het erom denk ik, want het is een slimme vrouw. Ik vraag me altijd af wat oma’s doen als ze alleen zijn. Alleen scrabblen is lastig, al win je dan hoogstwaarschijnlijk wel.

Of ik de televisie uit wil doen en wat muziek wil opzetten, vraagt oma. Ik hoef niet te vragen wat voor muziek ze wil horen, want dat is altijd hetzelfde. Even later galmt de stem van Andrea Bocelli door de ruimte en zit oma met gesloten ogen in haar stoel te luisteren. Ik zit in opa’s stoel en terwijl ik geniet van alle nostalgie die zich door mijn oren, mond en ogen boort, hoop ik dat oma’s stoel nog lang oma’s stoel zal blijven.

Peter, Denise & de kids

Peter en Denise zijn van die mensen die het heel hard proberen. Het lukt alleen niet. Hun rijtjeshuis heeft als enige van de straat geen dakkapel, de auto is net niet zo mooi en nieuw als die van de buren en de kinderen hebben altijd luizen. Denise krijgt de tuin ook maar niet netjes, om over haar kapsel maar niet te beginnen. Hij heeft geen haar meer, daar baalt zij vooral van.

De passie is er tussen Peter en Denise ook al tijden uit. Peter vindt dat wel prima, lekker rustig. Denise koopt zo nu en dan een spannend lingerie setje en paradeert daar dan voor Peters neus in rond. Peter doet dan meestal alsof hij in zijn boek over vogels leest. Hij vindt vogels leuke beesten. Vogels gaan en staan waar ze willen, dat bewondert hij. Denise vindt dat onzin, niks zo fijn als een gezin hebben om ‘gezellig’ mee te zijn.

Toch is Denise zo’n vrouw die op vakantie fantaseert over de gebruinde badmeester terwijl haar man ernaast ligt. Peter fantaseert eigenlijk vrij weinig. Zij beschuldigt hem er zelfs geregeld van helemaal niet na te denken. Wanneer hij bijvoorbeeld de tanden van de jongste poetst met de tandenborstel van de oudste. Maar Peter denkt wel degelijk na, vooral over zijn werk. Denise heeft eigenlijk geen werk, al noemt zij het verkopen vanzelf gemaakte armbandjes op marktplaats wel zo. Peter houdt niet zo van armbandjes, maar dat zal niemand verbazen.